ç., bl. 16**).
[328] Namman = Nam-Ouen, 35° 18'-124° 38' (a. v., 10**).
[329] lees: voor de terecht gecomen[e] = voor de in Japan aangelanden. Vgl. bl. 15 en 16.
[330] "Haere schepen zijn achter plat, en hangen daer zoo wel als voor, wat over het water; gebruiken mede riemen als zy zeilen, en zijn tegen uitlands geschut niet bestendig. Zy durven, noch en mogen niet, als met byzonder verlof, ver uit het Lands gezicht vaeren; ook zijn de vaertuigen daer toe onbequaem, en byster ligt gemaekt; men ziet 'er weinig of geen yzer aen; 't hout is in een gevoegt, d'ankers zijn van hout; hun meeste vaert is op Sina" (Witsen, 2e dr. I, bl. 56; Bericht van Eibokken).--"The Coreans are not a seafaring people. They do not sail out from land, except upon rare occasions.... The prow and stern of fishing-boats are much alike, and are neatly nailed together with wooden nails. They use round stems of trees in their natural state, for masts. The sails are made of straw, plaited together with cross-bars of bamboo. The sail is at the stern of the boat. They sail very well within three points of the wind, and the fishermen are very skilful in managing them" (Griffis, Corea, 1905, bl. 195).--"Schoon [de Koreërs] op Japan zelden varen, zoo weten zy echter werwaerts, en op wat streek het van hen afgelegen is, zonder welke kennis die de gevangenen Nederlanders uit hen hadden opgevat, zy nooit Japan, werwaerts zy de vlucht namen, zouden hebben konnen bestevenen, alzoo geen kaert hadden, en niemand van hen daer ooit hadde geweest" (Witsen, 2e dr. I, bl. 44).
[331] "November 1664. Den 27. vertoonde sich een groote Comeet-ster, die hoe wel over d'Indien gaende, sich groot, maer om de verre af-wesentheyt hier selden klaer, en meest waterachtigh dampich liet sien, hare staert is eenmael op 180. mijlen en noch grooter afgespeculeert geweest: Verwonderenswaerdig zijnde, dat zy tot Nieu-jaer 1665. de staert west behoudende, die verloor, en twee daghen als den lest en eersten dagh van't Jaer als een bed