Hoe verder om te gaan met de achtergebleven?

Tot nu toe hebben we de brievenwisseling tussen Korea en Japan gezien wat betreft de ontsnapten en kennelijk was dit voldoende want nu komt er in Japan een discussie op gang hoe nu verder met deze zaak om te gaan.

{De anwoorden die Tajima Sakon'emon (田嶋左近衛門 de boodschapper) mee terug bracht, werden aan de Bakufu overhandigd. Toen zei dhr. Inaba (稻葉 ), de daimyo van Mino (Gifu; 稻葉美濃守) tegen de daimyo van Tsushima dat hij onderdanig de brieven van de Minister van Riten, een ambtenaar en van Tongnae de haven van Pusan zonder enig overleg aan de Shogun had overlegd. Toen antwoorde de Shogun waardig als volgt: hij begrijpt uit deze brieven dat de acht van de Hollanders die schipbreuk hadden geleden in Chosŏn, daar nog steeds zijn. Hollanders zijn al voor langere tijd naar Japan gekomen. Dus beval hij dhr. Inabada om de daimyo van Tsushima tegen Chosŏn te zeggen deze acht naar Tsushima te sturen en ook om de hoofdambtenaar brieven te laten schrijven om de brieven vanuit Chosŏn te laten beantwoorden. De daimyo van Tsushima zou daarom naar de woonplaats van Kobun'in (弘文院 ; een confuciaanse geleerde Hayashi Gaho 林梾峰) moeten gaan en deze de brieven laten schrijven, laat ze dan aan de hoofdambtenaar zien. Een stuk papier is goed genoeg. Als het beschikbaar is, dan zou een behoorlijke kopie gecontroleerd moeten worden in Tsushima. Dus U (de daimyo van Tsushima) zou dan een nette gekopieerde brief aan de Minister van riten moeten sturen. [Shin Dong Kyu, ibid, p. 185 'Over de zaak van de Hollanders die in Chosŏn schipbreuk hebben geleden 阿蘭陀人朝鮮漂着之一件 ')]} Hier zien we duidelijk hoe ingewikkeld de zaken in Japan verlopen en wat de reden is dat de Hollanders spraken van de Japanse "precisiteyt". Alles gebeurt heel omslachtig opdat er geen fouten gemaakt worden, want die worden streng bestraft, soms zelfs met de order zelfmoord te plegen. Maar ook de impliciete dreiging naar Korea valt hierin te lezen.

{De daimyo van Mino (Inaba) zei tegen de daimyo van Tsushima dat het geen probleem is een brief te schrijven overeenkomstig met wat Kobun'in schreef. Het is al goed als de strekking van de brief intact blijft. Dus U kunt het in Tsushima schrijven zoals u altijd doet. En hij (Inaba) zei ook dat de andere brieven die naar een ambtenaar en naar Tongnae, de haven van Pusan worden gestuurd, net zo geschreven zouden moeten worden als die naar de Minister van riten wordt gestuurd.[Shin Dong Kyu, ibid, p. 186 ('Over de zaak van de Hollandse schipbreukelingen in Chosŏn ')]} De daimyo van Tsushima staat kennelijk ook onder druk en wordt bevolen de zaken aan te pakken zoals de regering in Edo het voorstaat en verder {Er zullen geen problemen wat betreft de Hollanders, en ik denk dat Chosŏn ze naar ons toe zal sturen. Maar ik hoorde dat de Hollanders slecht behandeld zijn in Chosŏn en dat ze onder slechte omstandigheden verbleven, dus ik denk dat ze niet dankbaar jegens Chosŏn zullen zijn. Hoewel er acht Hollanders naar Japan komen zullen ze wat ik gezegd heb in hun achterhoofd houden. Dus het is mogelijk dat Chosŏn zal proberen de zending van de resterende acht te vertragen of hen zelfs doden of dat ze zullen zeggen dat ze gestorven zijn. Natuurlijk is het mogelijk dat ze door ziekte zullen sterven, maar als zich zoiets zou voordoen, dan moeten we Chosŏn vragen hun lichamen te sturen om ze niet te beschadigen. En om de zending niet te vertragen sturen we Tarozaemon (Kuwa Tarozaemon, 久和太郞左衛門) als boodschapper.[Shin Dong Kyu, ibid, p. 187 ('Het dokument van de Westerse Schipbreukelingen:  Sŏhyang kukp'yoin'gi 西洋國漂人記']}

Noch Tongnae, noch Tsushima konden op eigen houtje iets uitrichten of beginnen. De algemene atmosfeer was er een van achterdocht. Ieder verzoek van weerskanten werd met de grootste nauwkeurigheid bestudeerd. Voor de Daimyo was de handel belangrijk en hij was er altijd op uit om meer te krijgen. Hoewel de handel voor de Koreanen ook wel het nodige opleverde, bleven ze het beschouwen als een vervelende zaak en ze onderhielden het alleen maar om controle te houden over de opbrengsten en om een deur open te houden naar Japan. De voortdurende pogingen om meer handel van de Japanse kant en de verwoede pogingen van de Koreanen om de status quo te behouden hielden de diplomatieke relaties natuurlijk onder een voortdurende druk, zeker een van de meest rigide tussen twee naties.

{Van Taira no Yoshimasa, de vroegere daimyo van Tsushima, Japan aan de Minister van het Ministerie van riten, Chosŏn, Ik vroeg eerder over het westerse schip en ik was tevreden met uw verontschuldigend antwoord. We zijn nu in Edo en rapporteerden het aan de Shogun door middel van een administrateur. De wil van de Shogun werd door middel van dezelfde administrateur aan ons overgebracht en luidt als volgt. Hij had verheven gehoord dat de schipbreukelingen die in Goto waren aangespoeld, westerlingen van Holland waren en de overgebleven leden van de groep ook in uw land zijn. De barbaren komen nu al diverse jaren naar ons land, dus zouden de acht overlevenden naar Tsushima gestuurd moeten worden. Wij sturen Taira no Narimutsu (平成睦), de gezant en Minamoto no Noritada (源調忠) de reder van Kyoto om het u oprecht te vragen. We zouden ook dankbaar zijn als U ons klein geschenk aanvaardt. Het is deze dagen koud maar moge het verzoek goed uitgevoerd worden. Dank u. November, 1667 [Shin Dong Kyu, ibid, p. 189 ('De brieven over het weer sturen van boodschappers voor de Nederlandse schipbreukelingen 爲阿蘭陀漂人再差嫇价書 , vol. 23 )]} Tot slot waren er nog twee brieven die zich met het probleem bezig hielden. Er moest natuurlijk een manier gevonden worden om de mannen het land uit te krijgen, en dat zien we in het volgende document. {Toen de ministers en de gouverneurs ondervraagd werden door de Koning aan het hof, op 3 April j.l. merkte de Minister van riten Cho Pok-yang (趙復陽) onderdanig op "We hebben nu geen andere keus dan de barbaren (naar Japan) te sturen. We zouden hen met nieuwe kleren moeten sturen, die kunnen we maken en aan hen geven." Toen zei de voorzitten Chŏng (Chŏng T'ae-hwa 鄭太和) "Namwŏn is op de route. Dus ontbieden we hen allen in Namwŏn en laten (de gouverneur van) Chŏlla-do hun nieuwe kleren geven. Dan beslissen we dat iedere ambtenaar die dienst heeft om hen te begeleiden. dus die in Chŏlla-do begeleidt hen naar de andere in Kyŏngsang-do en die in Kyŏngsang-do stuurt hen naar de Waegwan. We zullen de gouverneur van iedere provincie inlichten, hoe denkt u erover?" De koning zei: "Doe zoals u zegt." [Shin dong Kyu, ibid, p. 191 (Alle documenten van de grensgebieden')]}

Tot slot is er dan nog de brief aan de daimyo van Tsushima waarin er verontschuldigd wordt voor het houden van de schipbreukelingen en waarin de redenen worden uitgelegd waarom Japan niet eerder op de hoogte werd gesteld van hun aanwezigheid. {Aan dhr. Taira, de daimyo van Tsushima, Japan. De booschappers zijn hier aangekomen en ik heb uw brief ontvangen. Ik denk dat uw land vredig en voorspoedig is. Dat is goed. Met betrekking tot de Nederlanders zoals ik in mijn laatste brief toelichtte, we wisten niet waar ze vandaan kwamen en waar ze eerst naar terug wilden. We hadden medelijden met ze dus lieten we hen in de zuidelijke provincie wonen. Op een dag ontsnapten ze en gingen naar uw land. Ze bleven voor een lange tijd en we beschouwden ze als onderdanen van Chosŏn. We zijn (nu) op de hoogte van hun situatie dus het lijkt ons juist dat we hen terug sturen. Bovendien zoeken we de andere leden. Het is niet alleen in het verleden, maar ook nu zien we ernaar uit om hen terug te sturen. Maar, althans volgens uw brief, betalen Hollanders schatting aan Japan. Als dat waar is, dan gehoorzamen we het beleid van het koninklijk hof om hen terug te sturen. Waarom zouden we onze oprechte bedoelingen verwaarlozen door lastige problemen op te roepen? Het is goed dat we hen terug sturen naar hun eigen land als er een geschikt schip is. Maar een van hen overleed het afgelopen jaar, dus we hebben 7 overlevenden. We bevalen elk bestuur in het gebied waar ze waren, dat ze onmiddellijk zouden vertrekken, en dat elk van hen naar de Japanse boodschappers wordt gestuurd. We bereiden ook enkele kleine geschenken als antwoord op uw weldadige geschenken. Dat u gelukkig moge zijn. Dank U. April, 1668 De Minister van het Ministerie van Riten, Cho Han-yŏng. (曹漢英) [Shin dong Kyu, ibid, p. 192 (Het antwoord op het terugsturen van boodschappers voor de Hollanders Wi'aran ta'inche kyŏnsatab 爲阿蘭瞜人再遣使答 in ['brieven die uitgewisseld werden tussen ons land en Chosŏn', vol 23])]}